ECLI:NL:RVS:2010:BO4809
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling niet aannemelijk gemaakt reëel risico op mishandeling bij terugkeer naar Polen
De vreemdeling vreesde als gedetineerde in Polen het slachtoffer te worden van excessief politiegeweld en beroept zich op arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) die Polen veroordeelden wegens schending van artikel 3 EVRM Pro. De minister stelde dat deze verwijzingen onvoldoende waren om aan te nemen dat Polen zijn verdragsverplichtingen jegens gedetineerden niet naleeft.
Vast stond dat de vreemdeling tijdens een geplande overlevering op Schiphol door een Poolse politiefunctionaris was mishandeld, maar hij had verklaard dat hij in eerdere detenties niet in strijd met artikel 3 EVRM Pro was behandeld. De minister stelde dat de mishandeling geen reden was om aan te nemen dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt en wees op het strafrechtelijke onderzoek in Polen en garanties dat de verdachte begeleider niet bij een nieuwe overlevering betrokken zal zijn.
De rechtbank had geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij niet eerst nadere informatie over het strafrechtelijk onderzoek had ingewonnen. De Raad van State oordeelde echter dat de minister terecht had geoordeeld dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling en vernietigde het vonnis van de rechtbank. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Polen een reëel risico op mishandeling loopt.