Uitspraak
200602745/1waarin de vereniging en anderen zonder nadere overweging belanghebbend zijn geacht bij de bouwvergunning van 1 juni 2004, volgens [appellant sub 2] miskend dat in deze procedure de belanghebbendheid van de vereniging en anderen opnieuw ter beoordeling stond. Hij voert in dit verband aan dat [appellant sub 1B] en [appellant sub 1A] geen zicht hebben op het perceel, omdat zij op een afstand van 240, onderscheidenlijk 520 m daarvandaan wonen en hun zicht op het perceel voorts wordt belemmerd door bomen, onderscheidenlijk een woning. Ten aanzien van het ontbreken van belanghebbendheid van de vereniging voert hij aan dat de doelstelling van de vereniging te ruim is en dat zij geen feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitvoert.
200602745/1, maar ook in de uitspraak van 1 april 2009 in zaak nr.
200803465/1/M2ontvankelijk is geacht. Nu het besluit van 19 februari 2009 valt binnen de regionaal beperkte doelstelling van de vereniging en zij ook feitelijke werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb, ziet de Afdeling geen aanleiding om over de belanghebbendheid van de vereniging thans anders te denken. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd wordt dan ook geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de vereniging heeft aangemerkt als belanghebbend bij het besluit van 19 februari 2009.
200803333/1.