ECLI:NL:RVS:2010:BO2103

Raad van State

Datum uitspraak
22 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201005112/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vw 2000Art. 8:54 AwbVerdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951Protocol van New York van 31 januari 1967
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing hoger beroep in asielzaak wegens niet-toetsing beroep op artikel 29 Vreemdelingenwet 2000

In deze zaak heeft de staatssecretaris van Justitie op 5 augustus 2009 het verzoek van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank 's-Gravenhage, die op 18 mei 2010 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde.

De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De minister klaagde terecht dat de rechtbank niet was ingegaan op het beroep van de vreemdeling op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, waarin bescherming wordt gevraagd op grond van het Vluchtelingenverdrag. Volgens de jurisprudentie dient eerst dit standpunt te worden getoetst alvorens over het standpunt onder b te oordelen.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor herbehandeling met inachtneming van de juiste toetsingsvolgorde. Tevens stelde zij de proceskosten vast en bepaalde dat de rechtbank over de vergoeding daarvan beslist.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling met inachtneming van de juiste toetsingsvolgorde.

Uitspraak

201005112/1/V2.
Datum uitspraak: 22 oktober 2010
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 18 mei 2010 in zaak nr. 09/28068 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 augustus 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 18 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 mei 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de enige grief klaagt de minister dat, voor zover thans van belang, de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het beroep van de vreemdeling op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en dat de rechterlijke toetsing daarmee ten onrechte niet heeft aangesloten op de besluitvorming op grondslag van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.
2.1.1. Voordat de rechtbank kon overgaan tot een toetsing van het in het besluit van 5 augustus 2009 ingenomen standpunt van de staatssecretaris inzake artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, had de rechtbank, zoals volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 22 juli 2010 in zaak nr. 200900298/1/V2; www.raadvanstate.nl), eerst het in dat besluit ingenomen standpunt van de staatssecretaris dienen te toetsen aan de hand van de daartegen gerichte beroepsgrond van de vreemdeling. Dit standpunt hield in dat de vreemdeling geen aanspraak op bescherming kon ontlenen aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zijn land van herkomst, Somalië, gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967. De minister klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het beroep van de vreemdeling op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
De grief slaagt.
2.2. Reeds hierom ziet de Afdeling aanleiding om het hoger beroep kennelijk gegrond te verklaren, de aangevallen uitspraak te vernietigen en hetgeen voor het overige daartegen is aangevoerd, in dit geval niet te bespreken. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
2.3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 18 mei 2010 in zaak nr. 09/28068;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Van Loo
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2010
418-638.
Verzonden: 22 oktober 2010
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser