ECLI:NL:RVS:2010:BO2085
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep vreemdeling geboren na instellen beroep
De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, ingediend door een vreemdeling (sub 1) mede voor haar minderjarige kinderen (sub 2). Een derde vreemdeling (sub 3), geboren na het instellen van het beroep, stelde eveneens beroep in. De Raad van State oordeelt dat het besluit van 19 februari 2009 alleen betrekking heeft op de aanvraag van de vreemdeling sub 1 en sub 2. Ten aanzien van vreemdeling sub 3 is geen besluit genomen en deze wordt niet als belanghebbende beschouwd volgens artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling bestuursrechtspraak verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel nauw verbonden is met de persoon van de aanvrager, waardoor alleen deze als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit tot afwijzing. Het hoger beroep van vreemdeling sub 3 wordt daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Verder oordeelt de Raad dat de overige aangevoerde gronden in het hoger beroep door vreemdeling sub 1 en sub 2 niet leiden tot vernietiging van de eerdere uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen vragen die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming rechtvaardigen om het oordeel te herzien. Het hoger beroep wordt derhalve ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling geboren na het instellen van het beroep is niet-ontvankelijk verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.