ECLI:NL:RVS:2010:BO1571
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang in verblijfsprocedure op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en beschikte sinds 9 november 2009 over rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De staatssecretaris had een verzoek op grond van artikel 64 Vw Pro 2000 om uitzetting achterwege te laten afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling niet ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
De vreemdeling voerde aan dat de minister inhoudelijk op het verzoek moest ingaan om te bepalen of zij zich feitelijk in dezelfde situatie bevond als bedoeld in artikel 64 Vw Pro 2000. De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling geen belang had bij een beoordeling van de toepasselijkheid van artikel 64 Vw Pro 2000, omdat zij door het rechtmatig verblijf niet in een betere verblijfspositie kon komen.
Daarnaast werd overwogen dat aanspraak op voorzieningen uit de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) kan worden gemaakt via een verzoek bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, waarbij rechtsmiddelen openstaan tegen beslissingen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de vreemdeling geen procesbelang heeft bij toetsing van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 en verklaart het hoger beroep ongegrond.