Uitspraak
200904141/1/H3en zaak nr.
200904876/1/H3), biedt, voor zover de beleidsnota de uitoefening van de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang betreft, artikel 13b van de Opiumwet de grondslag daarvoor. Voor zover de beleidsnota de uitoefening van de bevoegdheid om al dan niet vergunning voor de exploitatie van coffeeshops te verlenen betreft, is deze gebaseerd op artikel 174 van Pro de Gemeentewet en de artikelen 2.3.2 en verder van de APV.
200904141/1/H3, de burgemeester na de goedkeuring van de beleidsnota door de gemeenteraad daaraan de betreffende onderdelen toevoegen, nu ingevolge artikel 2.3.2 en verder van de APV de bevoegdheid tot verlenen of weigeren van een exploitatievergunning bij de burgemeester berust. Dat de burgemeester ingevolge artikel 180 van Pro de Gemeentewet aan de raad van de gemeente Rotterdam verantwoording over het door hem gevoerde bestuur dient af te leggen, leidt niet tot een ander oordeel.
200904892/1/H3), bestaat geen grond voor het oordeel dat de burgemeester zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat drugsgebruik door jongeren moet worden voorkomen door toepassing van de in de beleidsnota ten aanzien van het beoordelen van vergunningaanvragen vermelde criteria. Zoals in de beleidsnota onder verwijzing naar verschillende onderzoeken is uiteengezet, hebben jongeren die softdrugs gebruiken naar het oordeel van de burgemeester een grotere kans om later harddrugs te gebruiken. Daarnaast is uiteengezet dat drugsgebruik op jonge leeftijd tot verminderende cognitieve prestaties en schooluitval kan leiden en er een verband is tussen drugsgebruik en delinquent en agressief gedrag. Dat, zoals in het rapport van drs. N. Maalsté is beschreven, onderzoekers van mening verschillen over de precieze aard van het verband tussen drugsgebruik en problematisch gedrag en verschillende opvattingen bestaan over de wijze waarop drugsgerelateerde problemen het effectiefst kunnen worden bestreden, betekent niet dat het in de beleidsnota beschreven beleid niet gevoerd mag worden.
200904876/1/H3en zaak nr.
200904892/1/H3, bestaat geen grond voor het oordeel dat de burgemeester zich in redelijkheid niet op dat standpunt heeft kunnen stellen, en meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de ontmoediging van drugsgebruik door jongeren dan aan de financiële belangen van [appellant]. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat reeds in de op 31 mei 2007 bekendgemaakte conceptversie van de beleidsnota is aangekondigd dat per 1 juni 2009 geen coffeeshops binnen de vermelde afstanden van scholen mogen zijn gevestigd, zodat de burgemeester de desbetreffende exploitanten gedurende twee jaar de gelegenheid heeft geboden om de bedrijfsvoering aan te passen. Tevens wordt in aanmerking genomen dat overeenkomstig de vorige beleidsnota's aan de exploitanten steeds slechts voor een beperkte duur, namelijk een jaar, exploitatievergunning is verleend.