Uitspraak
200606020/1overwogen dat de omstandigheid dat de strafbare feiten zich hebben voorgedaan als gevolg van privéomstandigheden en zich niet hebben voorgedaan tijdens of in verband met het functioneren als leraar, voor dit criterium niet van doorslaggevend belang is. Het gaat er immers om of de strafbare feiten, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zouden verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. Gezien de omstandigheid dat [appellant] in zijn boogde functie verantwoordelijk is voor het welzijn en de veiligheid voor minderjarige personen en gelet op het screeningsprofiel en de daarbij genoemde risico's, heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er, indien de bedreigingen worden herhaald in de uitoefening van de door [appellant] beoogde functie, een risico bestaat voor het welzijn en de veiligheid van minderjarige personen.
200901817/1/H3. Voorts heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de strafbare feiten waarvoor [appellant] onherroepelijk is veroordeeld naar hun aard niet zijn te verenigen met de functie van invalleerkracht. Dat, zoals [appellant] stelt, de strafmaat hoger was vanwege zijn weigering mee te werken aan het onderzoek laat onverlet dat [appellant] zich heeft schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten, waarvoor hij twee maal is veroordeeld. Verder vallen beide veroordelingen in eerste aanleg binnen de terugkijktermijn van vier jaar voorafgaand aan het in beroep bestreden besluit, ongeacht de door [appellant] in detentie doorgebrachte tijd, die in zoverre thans niet relevant is. Nu voorts beide veroordelingen van recente datum zijn en de proeftijd ten tijde van de besluitvorming nog niet was verstreken, heeft de minister zich, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevonden antecedenten aan een behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden als invalleerkracht in de weg staan. De minister heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de brieven van de burgemeester, de maatschappelijk werker en de re-integratieambtenaar niet tot het oordeel leiden dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen.