ECLI:NL:RVS:2010:BN9979
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen reëel risico op vrouwelijke genitale verminking bij verblijf in Conakry
De vreemdeling, afkomstig uit Conakry, Guinee, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor zichzelf en haar minderjarige dochter, wegens het risico op vrouwelijke genitale verminking (VGV). De minister van Justitie wees dit verzoek af op grond van het ambtsbericht dat stelt dat vrouwen in de stad, met name hoogopgeleide en economisch zelfstandige vrouwen, meer mogelijkheden hebben om zich aan besnijdenis te onttrekken.
De voorzieningenrechter had het besluit van de minister vernietigd en het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, stellende dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de vreemdeling haar dochter aan besnijdenis zou kunnen onttrekken door zich in Conakry te vestigen. De minister ging hiertegen in hoger beroep.
De Raad van State oordeelde dat het ambtsbericht duidelijk maakt dat in de stad sociale controle minder sterk is en dat vrouwen meer kansen hebben om besnijdenis te vermijden. Omdat de vreemdeling geen concrete feiten had aangevoerd waaruit blijkt dat zij haar dochter niet aan besnijdenis kan onttrekken, was er geen reden om het standpunt van de minister onvoldoende gemotiveerd te achten.
Daarom vernietigde de Raad van State de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.