Uitspraak
200809217/1/V6.
Raad van State
De minister legde appellant een boete van €12.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verrichtten. De rechtbank stelde de boete vast op €10.800 en verklaarde het beroep van appellant gegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat de vreemdelingen hem enkel hielpen als vriendendienst zonder vergoeding, zodat geen sprake was van een arbeidsverhouding in de zin van het EG-Verdrag en het VWEU. De Raad van State overwoog dat de werkzaamheden reëel en daadwerkelijk waren, onder gezag van appellant werden verricht en dat de hulp en het verblijf als tegenprestatie dienden, zodat sprake was van een arbeidsverhouding.
Het beroep van appellant faalde ook omdat het gelijkheidsbeginsel niet werd geschonden en de procedure niet onredelijk lang duurde. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €10.800 wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning.