Uitspraak
200604379/1, heeft de Afdeling overwogen dat het beleid, dat er enerzijds toe strekt een zekere marktwerking te bevorderen en anderzijds het aantal vergunningen om de orde te waarborgen beperkt tot drie, op zichzelf niet als kennelijk onredelijk is aan te merken. Van een onvoorwaardelijke toezegging aan [appellanten] dat aan hen kramenzetvergunningen voor de periode 2005 - 2010 zullen worden verleend is niet gebleken.
200805138/1heeft de Afdeling overwogen dat zij er in haar uitspraak van 4 juli 2007 van is uitgegaan dat het dagelijks bestuur een integrale afweging had gemaakt, die leidde tot het verlenen van vier vergunningen in afwijking van het beleid. Aangezien het dagelijks bestuur geen bijzondere omstandigheden had gesteld die die afwijking konden rechtvaardigen, is de Afdeling tot de conclusie gekomen dat het bij de rechtbank bestreden besluit op bezwaar onvoldoende was gemotiveerd. Het oordeel hield niet in dat bij het ontbreken van bijzondere omstandigheden de aan de vereniging verleende vergunning zonder meer zou moeten worden herroepen, maar dat het dagelijks bestuur in dat geval alsnog een keuze diende te maken tussen de vier vergunningaanvragen en moest bezien welke gevolgen die keuze had voor de vergunning van de vereniging.
200604379/1, is het beleid niet als kennelijk onredelijk aan te merken. Dat beleid strekt ertoe een zekere marktwerking te bevorderen en het aantal vergunningen te beperken tot drie. Anders dan [appellanten] hebben aangevoerd vloeit uit het feit dat inmiddels nieuw beleid is vastgesteld, waarin als gevolg van opgedane ervaringen en de samenvoeging van stadsdelen een ander uitgangspunt is gekozen, niet voort dat het oude beleid reeds hierom onredelijk moet worden geacht.