ECLI:NL:RVS:2010:BN6685
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsrecht vreemdeling als partner Nederlandse unieburger
De vreemdeling, partner van een Nederlandse unieburger die van januari tot juni 2008 in België verbleef, verzocht om verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan op basis van de Richtlijn 2004/38/EG en artikel 8.7 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling niet met de referente in België heeft gewoond en haar niet heeft begeleid bij haar terugkeer naar Nederland, waardoor geen recht op verblijfsrecht kon worden ontleend.
De vreemdeling stelde dat hij weliswaar kortdurend bij de referente in België verbleef, maar dat dit niet relevant zou zijn voor zijn verblijfsrecht. De Raad van State overwoog dat de Richtlijn alleen van toepassing is op gemeenschapsonderdanen die zich in een andere lidstaat dan hun nationaliteitsstaat bevinden en hun familieleden die hen begeleiden of zich bij hen voegen. Omdat de vreemdeling niet daadwerkelijk in België verbleef, was de Richtlijn niet van toepassing.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de vreemdeling geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het verblijf van de referente in België. Er was geen sprake van een belemmering van het recht op vrij verkeer van de referente, omdat zij zonder de vreemdeling in België verbleef. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de vreemdeling geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het verblijf van zijn Nederlandse partner in België omdat hij niet daadwerkelijk in België verbleef.