ECLI:NL:RVS:2010:BN4045

Raad van State

Datum uitspraak
9 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201004951/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins de Vin
  • T.M.A. Claessens
  • R. van der Spoel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vw 2000Art. 59 Vw 2000Art. 9 lid 2 Verordening (EG) 343/2003Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen oordeel over voortvarendheid minister bij vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

De minister van Justitie stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank die oordeelde dat de minister niet met de vereiste 'due diligence' had gehandeld bij de verwijdering van een vreemdeling. De rechtbank had de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven en schadevergoeding toegekend.

De Raad van State overwoog dat het doel van de vrijheidsontnemende maatregel is om de vreemdeling de toegang tot Nederland en het Schengen-gebied te ontzeggen, zonder dat direct zicht op uitzetting vereist is. De minister hoeft daarom niet altijd onmiddellijk handelingen te verrichten om vertrek te faciliteren, maar moet wel voortvarend handelen zodra hij daartoe overgaat.

In deze zaak had de minister op 26 april 2010 schriftelijk meegedeeld dat hij de vreemdeling bij Italië zou claimen, waarna op 27 april het Dublin-gehoor plaatsvond. Op 29 april werd definitief besloten de claimprocedure voort te zetten en op 3 mei werd het dossier naar het Bureau Dublin verzonden. De Raad van State oordeelde dat de minister vanaf 29 april voortvarend heeft gehandeld en dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel was gekomen dat dit niet het geval was.

Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard wegens voldoende voortvarendheid van de minister.

Uitspraak

201004951/1/V3
Datum uitspraak: 9 augustus 2010
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Justitie (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank) van 12 mei 2010 in zaak nr. 10/15679 in het geding tussen:
[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)
en
de minister.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2010 is ten aanzien van de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel toegepast, die nadien is voortgezet. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 12 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 mei 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister niet met de vereiste "due diligence" aan de verwijdering van de vreemdeling heeft gewerkt, nu hij tussen 26 april 2010 en 3 mei 2010 geen handelingen heeft verricht die daadwerkelijk op het vertrek van de vreemdeling zien.
Hiertoe betoogt de minister dat "due diligence" is betracht en de vrijheidsontneming niet onredelijk langer heeft geduurd dan noodzakelijk, nu op 29 april 2010 kenbaar is gemaakt dat niet wordt afgezien van een claimprocedure, en op 3 mei 2010 het dossier van de vreemdeling reeds naar het Bureau Dublin is verzonden.
2.1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juli 2010 in zaak nr. 200908081/1/V3, www.raadvanstate.nl) is het doel van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, de desbetreffende vreemdeling te beletten zich toegang te verschaffen tot Nederland en daarmee tot het Schengen-gebied. Indien een vreemdeling de toegang is geweigerd, dient hij zich op eigen initiatief zo spoedig mogelijk te begeven naar een land waar hem mogelijk wel toegang wordt verleend. Anders dan in het geval van inbewaringstelling op grond van artikel 59 van Pro de Vw 2000, dat ziet op een zich reeds op het Nederlands grondgebied verblijvende vreemdeling, is bij het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6 van Pro de Vw 2000 geen zicht op uitzetting vereist. Gelet hierop zal de minister niet in alle gevallen na toepassing van artikel 6 van Pro de Vw 2000 onmiddellijk handelingen moeten verrichten om het vertrek te bewerkstelligen. In die gevallen echter waarin de minister handelingen verricht om het vertrek van de desbetreffende vreemdeling naar zijn land van herkomst of een ander land waartoe hij toegang kan verkrijgen, te faciliteren en waarin de duur van de vrijheidsontneming mede van het handelen van de minister afhankelijk wordt, zal hij daarbij, evenals bij een maatregel op grond van artikel 59 van Pro de Vw 2000, voortvarend moeten handelen.
Op 26 april 2010 heeft de minister in de asielprocedure schriftelijk aan de vreemdeling laten weten dat hij heeft besloten hem bij Italië te gaan claimen en hem hieromtrent te zullen horen. Het zogeheten Dublin-gehoor heeft op 27 april 2010 plaatsgevonden. Op 28 april 2010 heeft de minister het voornemen uitgebracht om de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen af te wijzen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek op grond van artikel 9, tweede lid, van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening). De vreemdeling heeft op dezelfde dag een zienswijze ingediend. Op 29 april 2010 heeft de minister naar aanleiding hiervan in de asielprocedure schriftelijk aan de vreemdeling laten weten niet af te zien van de claimprocedure.
Omdat eerst op 29 april 2010 in de asielprocedure een definitief standpunt is ingenomen omtrent het leggen van een claim op grond van de Verordening, heeft de minister eerst daarna aanleiding behoeven te zien de vreemdeling in diens vertrek te faciliteren, zodat de duur van de vrijheidsontneming vanaf dat moment mede afhankelijk is geworden van het handelen van de minister. Nu het dossier van de vreemdeling vier dagen later is verzonden naar het Bureau Dublin, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister niet de vereiste voortvarendheid heeft betracht. De rechtbank is dan ook ten onrechte tot het bestreden oordeel gekomen. De grief slaagt derhalve.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu het vooroverwogene voortvloeit dat de voorgedragen beroepsgronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 25 april 2010 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 12 mei 2010 in zaak nr. 10/15679;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
voorzitter
w.g. Snijders
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2010
279
Verzonden: 9 augustus 2010
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser