Uitspraak
200105178/1).
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Breda wees het verzoek van appellant om nadeelcompensatie vanwege de aanleg van De Nieuwe Mark af en verklaarde het daaropvolgende bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaarperiode.
De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkheid, stellende dat het bezwaarschrift niet tijdig was ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan. Appellant stelde echter dat het bezwaar tijdig was ingediend bij de Schadecommissie De Nieuwe Mark, die volgens hem als bestuursorgaan fungeerde en het bezwaarschrift had moeten doorzenden.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de commissie weliswaar een bestuursorgaan is op grond van publiekrechtelijke grondslag, maar niet bevoegd was te beslissen en het bezwaar onverwijld aan het college had moeten doorzenden. Het tijdstip van indiening bij de commissie is bepalend voor de ontvankelijkheid. Omdat het bezwaar tijdig bij de commissie was ingediend, was het college ten onrechte tot niet-ontvankelijkheid overgegaan.
De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en droeg het college op binnen twaalf weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het college wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.