Uitspraak
200408265/1) moet bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Het concrete, beoogde gebruik van het bouwwerk vormt op voorhand een reden om bouwvergunning te weigeren indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Nu het college blijkens het besluit van 17 juli 2009 op de hoogte was van het feit dat de uitbreiding aan de voorzijde van de woning tot doel heeft om in strijd met het bestemmingsplan in de berging een pedicurepraktijk uit te oefenen, heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat het college dit voorgenomen gebruik niet bij de beoordeling van de bouwaanvraag kon betrekken. Gelet op de beschikbare informatie was het college hiertoe gehouden. Omdat de bouwaanvraag ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet tevens wordt aangemerkt als een aanvraag om ontheffing van het bestemmingsplan, heeft het college ten onrechte nagelaten hierover een besluit te nemen. Bij gebreke van een ontheffing had het college de bouwvergunning niet mogen verlenen wegens strijd met het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter heeft dat niet onderkend. Het betoog slaagt.