ECLI:NL:RVS:2010:BN2513
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Geen categorale bescherming voor Tamils uit Sri Lanka na beëindiging gewapend conflict
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die een asielaanvraag van een Tamil uit het noorden van Sri Lanka gegrond verklaarde. De vreemdeling stelde dat hij vanwege het gewapend conflict tussen de LTTE en het regeringsleger een reëel risico liep op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de EU-richtlijn 2004/83/EG.
De rechtbank had geoordeeld dat onvoldoende aandacht was besteed aan de etnische afkomst van de vreemdeling, maar de Raad van State stelt dat individuele risicofactoren in dit kader niet relevant zijn. Het beschermingsvereiste ziet op een uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld die elke burger in het betrokken gebied treft.
Uit ambtsberichten en rapporten van de UNHCR blijkt dat het gewapend conflict in het noorden van Sri Lanka medio mei 2009 is beëindigd en dat sindsdien geen sprake meer is van een binnenlands gewapend conflict. De UNHCR heeft haar eerdere standpunt over de noodzaak van uitgebreide bescherming ingetrokken. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie die categorale bescherming rechtvaardigt.
De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling gegrond, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens wordt de minister van Justitie veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand; geen categorale bescherming voor de vreemdeling.