ECLI:NL:RVS:2010:BN1653
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zicht op uitzetting bij herhaalde vreemdelingenbewaring
De vreemdeling was meerdere malen in vreemdelingenbewaring gesteld en telkens werd de bewaring opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting. De rechtbank oordeelde dat bij de huidige inbewaringstelling onvoldoende was aangetoond dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig was. De vreemdeling stelde dat de rechtbank had moeten onderzoeken of er nieuwe aanknopingspunten waren die het zicht op uitzetting konden bevestigen.
De Raad van State overwoog dat het zicht op uitzetting na de eerdere opheffingen wel degelijk beoordeeld moest worden, waarbij rekening gehouden moest worden met nieuwe feiten en omstandigheden. Uit het dossier bleek dat de vreemdeling inmiddels had verklaard terug te willen keren naar zijn land van herkomst, wat een relevant aanknopingspunt vormde.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af.