ECLI:NL:RVS:2010:BN1650
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wegens achterhouden gegevens en artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
De zaak betreft de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan een vreemdeling die gegevens over zijn werkzaamheden voor de Afghaanse veiligheidsdiensten KhAD en WAD had achtergehouden. De staatssecretaris verleende aanvankelijk een vergunning zonder beperkingen, maar startte later een onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, waarna de vergunning werd ingetrokken.
De rechtbank had het besluit tot intrekking vernietigd op grond van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en de gezinssituatie van de vreemdeling. De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat de vreemdeling geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan het uitblijven van rechtsherstel en dat de gezinssituatie niet als bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 Awb Pro kon worden aangemerkt.
De Raad van State oordeelde dat de intrekking niet in strijd is met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel omdat de vreemdeling onjuiste gegevens had verstrekt en rekening moest houden met rechtsherstel. Tevens werd geoordeeld dat de gezinssituatie niet relevant was in deze procedure en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris dit had moeten beoordelen.
Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. De Raad van State bevestigde daarmee de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt bevestigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.