ECLI:NL:RVS:2010:BN1642
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende risico op schending artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Burundi
De staatssecretaris van Justitie trok op 16 maart 2009 de verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling in. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het daarop ingestelde beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling, een alleenstaande jonge vrouw van gemengde etnische afkomst, bij terugkeer naar Burundi een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), met name vanwege het seksuele geweld dat in Burundi voorkomt.
De Raad van State overwoog dat vrouwen in Burundi niet als een groep kunnen worden aangemerkt die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandelingen, zodat de vreemdeling specifieke onderscheidende kenmerken moet aanvoeren om een reëel risico aan te tonen. De door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, waaronder leeftijd, gemengde afkomst en alleenstaande status, werden niet als zodanige kenmerken erkend. De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
De Raad van State wees daarbij op relevante jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het ambtsbericht over de situatie in Burundi. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.