ECLI:NL:RVS:2010:BN1170
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vreemdelingenprocedure
De zaak betreft een hoger beroep van een vreemdeling tegen een besluit van de staatssecretaris van Justitie waarin een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd werd geweigerd. De procedure begon met een besluit van 12 september 2002 en liep via diverse bezwaren en uitspraken tot aan de Raad van State.
De Raad van State constateert dat sinds de ontvangst van een brief van de vreemdeling op 25 augustus 2003 tot de uitspraak op 30 juni 2010 meer dan zes jaar zijn verstreken. Dit overschrijdt de redelijke termijn van maximaal vijf jaar, die in vergelijkbare zaken als passend wordt beschouwd. De overschrijding van ruim een jaar en negen maanden wordt volledig toegerekend aan het bestuursorgaan.
Gezien de complexiteit van de zaak, het procesgedrag van de vreemdeling en de wijze van behandeling door het bestuursorgaan en de rechter, acht de Afdeling de overschrijding niet gerechtvaardigd. Daarom veroordeelt zij de minister van Justitie tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €2.000 aan de vreemdeling.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €437 voor rechtsbijstand en tot terugbetaling van het betaalde griffierecht van €223. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De uitspraak is gedaan door een kamer bestaande uit drie raadsheren onder voorzitterschap van mr. H.G. Lubberdink.
Uitkomst: De minister van Justitie is veroordeeld tot betaling van €2.000 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.