ECLI:NL:RVS:2010:BN1165
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Vaststelling duurzaamheid bestaansmiddelen zelfstandige voor verblijfsvergunning
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank die oordeelde dat een zelfstandige aan het vereiste van duurzaamheid van middelen van bestaan voldeed door aan te tonen dat zij nog een jaar over voldoende middelen beschikte.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat volgens artikel 3.20 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 zelfstandigen pas na minimaal anderhalf jaar aaneengesloten inkomsten als duurzaam kunnen worden aangemerkt. De rechtbank heeft dit onjuist toegepast door alleen te kijken naar het nog een jaar beschikken over middelen zonder de vereiste periode van anderhalf jaar te betrekken.
De vreemdeling werd als startende ondernemer aangemerkt, waardoor haar inkomsten vanwege onzekerheid en gebrek aan inzicht in het verleden niet als duurzaam konden worden beschouwd. Het beroep van de vreemdeling op het familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) faalde eveneens omdat geen disproportionele belangenafweging werd vastgesteld.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee de aanvraag voor een verblijfsvergunning werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning afgewezen.