ECLI:NL:RVS:2010:BN1159
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling plausibiliteit en zwaarwegendheid vermoedens in asielprocedure
In deze zaak heeft de staatssecretaris een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen omdat hij het verband tussen dreigbrief, aanslag op het huis van de vreemdeling en diens werk als arts ongeloofwaardig achtte. De rechtbank stelde echter dat de staatssecretaris een onjuist beoordelingskader hanteerde door niet te beoordelen of de vermoedens over de gevolgen bij terugkeer voldoende zwaarwegend waren.
De Raad van State overweegt dat de staatssecretaris eerst moet vaststellen of de feiten en omstandigheden, inclusief vermoedens die deel uitmaken van het asielrelaas, geloofwaardig zijn. Pas als de vermoedens over wat de vreemdeling bij terugkeer te wachten staat plausibel worden geacht, moet worden beoordeeld of deze zwaarwegend genoeg zijn voor het verlenen van een verblijfsvergunning.
De Raad bevestigt dat de staatssecretaris het geloofwaardig achtte dat de dreigbrief en aanslag hadden plaatsgevonden, maar dat het verband met het werk als arts ongeloofwaardig was. Dit betekent dat de vermoedens over de gevolgen bij terugkeer apart beoordeeld moeten worden. De grieven van de staatssecretaris falen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de motivering.
De minister van Justitie wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €477,00 aan de vreemdeling voor rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de motivering.