Uitspraak
200905093/1/H2) behoeft niet iedere overschrijding van het aantal verleende uren tot honorering van een verzoek om extra uren te leiden, gegeven het forfaitaire karakter van het toevoegingenstelstel. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat uit artikel 13, eerste lid, van het Bvr 2000, volgt dat voor de besluitvorming van de raad over deze honorering niet de urenstaat van de advocaat van de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden, maar de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden van belang is, behoefde de raad de motivering van het besluit van 2 oktober 2008 niet toe te spitsen op de urenstaat van de advocaat.