Uitspraak
200405950/1) kan de enkele vaststelling van een persoonlijkheidsstoornis en gedrag op grond waarvan deze diagnose is gesteld op zichzelf onvoldoende basis zijn voor het besluit dat iemand ongeschikt is voor elk rijbewijs, omdat iemand die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis ingevolge paragraaf 8.7 eerst ongeschikt is voor elk rijbewijs wanneer hij duidelijk blijk heeft gegeven van gebrek aan sociale verantwoordelijkheid of gebrekkig geweten dan wel miskenning van de risico's van het rijden onder invloed van alcohol of andere gedragsbeïnvloedende middelen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat uit zowel het rapport als het besluit op bezwaar niet blijkt waaruit het gebrek aan sociale verantwoordelijkheid of gebrekkig geweten van [wederpartij] blijkt. Eveneens juist is de overweging dat uit het rapport en het besluit op bezwaar niet blijkt van miskenning van de risico's van het rijden onder invloed of andere gedragsbeïnvloedende middelen. Anders dan het CBR heeft betoogd kan, nu paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling specifiek gaat over onder andere misbruik van cannabis, naar het oordeel van de Afdeling niet alleen op basis van paragraaf 8.1 worden geoordeeld dat [wederpartij] wegens het nog niet zijn verstreken van de recidiefvrije periode voor cannabismisbruik ongeschikt moet worden geacht. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het besluit op bezwaar niet op een deugdelijke motivering berust en in strijd met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank echter ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en het besluit van 17 april 2008 herroepen. Voor een dergelijk oordeel is slechts plaats als vast staat dat dat besluit bij het nieuwe besluit op bezwaar niet kan worden gehandhaafd. Die situatie doet zich hier niet voor.
200802431/1).