ECLI:NL:RVS:2010:BN0229
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatige vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die oordeelde dat de minister onvoldoende had voldaan aan zijn inspanningsverplichting om te voorkomen dat een vreemdeling na strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring wordt gesteld. De vreemdeling was op 20 januari 2010 strafrechtelijk gedetineerd en had op die dag aangegeven een asielaanvraag te willen indienen. De minister stelde hem echter pas na het einde van de strafrechtelijke detentie op 24 maart 2010 in de gelegenheid dit te doen.
De rechtbank had geoordeeld dat de bewaring onrechtmatig was omdat de minister niet tijdig had gehandeld en dat de belangen van de vreemdeling prevaleerden. De minister stelde dat hij wel aan zijn inspanningsverplichting had voldaan en dat de gedragslijn omtrent beslistermijnen niet van toepassing was omdat de wens tot asielaanvraag niet tijdens de vreemdelingenbewaring was geuit.
De Raad van State oordeelde dat de minister tijdens de strafrechtelijke detentie de vreemdeling reeds in de gelegenheid had moeten stellen een asielaanvraag in te dienen en dat het tijdsverloop tussen het uiten van de wens en het daadwerkelijk indienen van de aanvraag van belang is voor de voorbereiding van de uitzetting. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring is rechtmatig.