ECLI:NL:RVS:2010:BN0220
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring vreemdeling op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
De vreemdeling werd bij besluit van 17 mei 2002 ongewenst verklaard omdat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing werd geacht. Diverse beroepen en aanvragen om verblijfsvergunning werden afgewezen, waarbij de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze besluiten bevestigden. De vreemdeling stelde dat het decreet dat hij overlegde geen nieuw feit was en dat de gehanteerde termijn van ten minste tien jaren onredelijk was.
De Raad van State oordeelde dat het decreet geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde, omdat het al bestond ten tijde van het oorspronkelijke besluit en de vreemdeling dit had kunnen overleggen. Tevens werd bevestigd dat het beleid dat uitgaat van een termijn van ten minste tien jaren als 'een groot aantal jaren' niet kennelijk onredelijk is, mede gezien de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets die voorkomt dat vreemdelingen in uitzonderlijke humanitaire situaties terechtkomen.
Verder werd geoordeeld dat de rechtbank terecht aannam dat er geen bijzondere emotionele band bestond tussen de vreemdeling en zijn zoon die zwaarder woog dan normale emotionele banden, en dat het belang van het gezinsleven niet zodanig was dat inmenging onrechtmatig was. Het hoger beroep werd als kennelijk ongegrond verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de ongewenstverklaring van de vreemdeling wordt bevestigd.