ECLI:NL:RVS:2010:BN0218
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- C.H.M. van Altena
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens risico schending artikel 3 EVRM
De vreemdeling heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. Zij stelde dat haar uitzetting naar Turkije in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM, mede omdat haar echtgenoot niet wordt uitgezet vanwege een reëel risico op een verboden behandeling.
De rechtbank liet dit betoog onbesproken, wat in strijd was met het vereiste van een deugdelijke motivering. De Raad van State oordeelt dat de aanvraag van de vreemdeling op haar eigen merites moet worden beoordeeld, los van de situatie van de echtgenoot die niet wordt uitgezet.
De Raad verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin wordt bepaald dat het risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro bij gezinsleden kan doorwerken, maar stelt dat dit niet automatisch geldt indien de echtgenoot niet wordt uitgezet. De Raad verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.