ECLI:NL:RVS:2010:BM9667
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M. Boll
- H. Borstlap
- W. Sorgdrager
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen last onder dwangsom voor lozing dierlijke mest op gemeentelijke riolering
Bij besluit van 9 april 2008 legde het college van burgemeester en wethouders van Ede aan appellant een last onder dwangsom op vanwege overtreding van voorschrift 140 van de Wet milieubeheer-vergunning, omdat dierlijke mest op de gemeentelijke riolering werd geloosd. Appellant stelde dat hij niet als overtreder kon worden aangemerkt omdat hij geen banden had met de vennootschap die de inrichting dreef en dat de gemeente Ede het lozen had toegestaan.
De Raad van State oordeelde dat appellant als feitelijke drijver van de inrichting kon worden beschouwd, omdat hij samen met zijn vader de inrichting feitelijk exploiteerde ten tijde van de overtreding. De stelling dat de gemeente het lozen had toegestaan werd verworpen, mede omdat het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij niet ziet op lozingen op de gemeentelijke riolering.
Verder werd geoordeeld dat het college niet hoefde af te zien van handhaving omdat geen concreet zicht op legalisatie bestond en de overtreding niet van geringe aard was. Ook het betoog dat het dwangsombesluit onevenredig was, faalde. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens lozing van dierlijke mest op de gemeentelijke riolering wordt ongegrond verklaard.