ECLI:NL:RVS:2010:BM5536
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens rechtmatig verblijf tijdens inbewaringstelling
De vreemdeling deed op 9 december 2009 aangifte van mensenhandel, maar werd verdacht van het doen van een valse aangifte. Op 2 februari 2010 werd zij staande gehouden, verhoord en in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de bewaring op goede gronden was gesteld.
De vreemdeling stelde dat zij al vanaf de aangiftedatum in aanmerking kwam voor de B9-regeling, waardoor zij rechtmatig verblijf had en de bewaring onrechtmatig was. De minister verleende haar op 16 maart 2010 met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning per 9 december 2009 onder de B9-regeling.
De Raad van State oordeelde dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig was omdat de vreemdeling ten tijde van de inbewaringstelling rechtmatig verblijf had. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring was onrechtmatig omdat de vreemdeling ten tijde van de inbewaringstelling rechtmatig verblijf had op grond van de B9-regeling.