ECLI:NL:RVS:2010:BM3057
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verlenging verblijfsvergunning wegens twijfel aan gemeenschappelijke huishouding
De staatssecretaris van Justitie wees een aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af omdat twijfel bestond over het feitelijk samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding tussen de vreemdeling en zijn echtgenote. Deze twijfel was gebaseerd op tegenstrijdige verklaringen van de partners tijdens hoorzittingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris, stellende dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat niet aannemelijk was gemaakt dat geen sprake was van een gemeenschappelijke huishouding. De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat tegenstrijdige verklaringen wel degelijk een reden zijn om twijfel te hebben over het samenwonen.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd. Uit de Vreemdelingencirculaire volgt dat een opsomming van omstandigheden niet uitputtend is en dat tegenstrijdige verklaringen een redelijke grond voor twijfel vormen. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 26 april 2010.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.