Uitspraak
200607461/1, 12 maart 2008 in zaak nr.
200704906/1, 3 juni 2009 in zaak nr.
200803230/1/V6, 17 juni 2009 in zaak nr.
200806748/1/V6, 16 september 2009 in zaak nr.
200900632/1/V6) vloeit het volgende voort.
Raad van State
Bij besluiten van juli en augustus 2008 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid boetes op aan [wederpartij] wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank Utrecht verklaarde de beroepen van [wederpartij] gegrond en vernietigde de boetebesluiten. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de vreemdeling, ondanks ontkenning van beloning, wel degelijk werknemer is in de zin van artikel 45 VWEU Pro, omdat zij reële en daadwerkelijke arbeid verrichtte, er een gezagsverhouding bestond en zij mede de inkomsten uit de onderneming deelde als beloning. De rechtbank had dit niet onderkend.
Verder stelde de Afdeling vast dat de vreemdeling geen vrij toegang had tot de Nederlandse arbeidsmarkt, omdat haar verblijfsdocument een arbeidsmarktaantekening bevatte die een tewerkstellingsvergunning vereiste. Het beroep op vrij verkeer van werknemers faalt daarom.
De minister heeft de boetes terecht opgelegd en de Afdeling wijst het beroep van [wederpartij] af. Ook het verzoek tot matiging van de boete wordt verworpen vanwege onvoldoende bewijs van slechte financiële positie en het feit dat de overtreding tweemaal is geconstateerd.
De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, waarbij de beroepen van [wederpartij] alsnog ongegrond worden verklaard.
Uitkomst: De boetes wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen worden bevestigd en het beroep van [wederpartij] wordt ongegrond verklaard.