ECLI:NL:RVS:2010:BL8741

Raad van State

Datum uitspraak
24 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200902528/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van handhaving van bouwvergunning en bestemmingsplan door college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem, waarin de rechtbank de beroepen van appellanten tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe niet-ontvankelijk heeft verklaard. De zaak betreft een besluit van 10 oktober 2007, waarbij het college aan belanghebbenden een dwangsom heeft opgelegd om een overtreding van artikel 40 van de Woningwet te beëindigen. Dit hield in dat de belanghebbenden de zonder bouwvergunning gerealiseerde constructies op hun perceel moesten slopen en het pand in de oorspronkelijke staat moesten herstellen. Tevens dienden zij het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand te beëindigen. De appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen deze besluiten en zijn in beroep gegaan bij de rechtbank.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 25 maart 2009 geoordeeld dat de appellanten geen procesbelang hadden bij de beoordeling van hun beroepen tegen de verlengingen van de begunstigingstermijnen, omdat het college bij een later besluit had besloten om niet handhavend op te treden. De rechtbank heeft de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 2 juli, 7 oktober en 9 december 2008 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 21 januari 2009 ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben de appellanten betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen procesbelang hadden en dat het college ten onrechte heeft afgezien van handhavend optreden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld en geconcludeerd dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de Raad van State is gedaan in naam der Koningin en is openbaar uitgesproken op 24 maart 2010.

Uitspraak

200902528/1/H1.
Datum uitspraak: 24 maart 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 maart 2009 in zaken nrs. 07/4958, 08/3073, 08/4766, 08/5805 en 09/517 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe (hierna: het college), onder gegrondverklaring van de door [appellanten] gemaakte bezwaren, [belanghebbenden] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) onder oplegging van een dwangsom gelast (1) de overtreding van artikel 40 van de Woningwet te beëindigen door datgene wat zij zonder bouwvergunning in, op en/of aan het pand op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) hebben gerealiseerd, uiterlijk op 1 juli 2008 te hebben gesloopt en vanaf die datum ook gesloopt te houden, alsmede uiterlijk op 1 juli 2008 het pand in de oorspronkelijke staat te hebben hersteld en vanaf die datum ook in de oorspronkelijke staat hersteld te houden en (2) het met het ter plaatse van het perceel geldende bestemmingsplan strijdige gebruik, dat wil zeggen het bewonen van dat pand, met ingang van 1 juli 2008 te beëindigen en vanaf die datum ook beëindigd te houden.
Bij besluiten van 2 juli 2008, 7 oktober 2008 en 9 december 2008 heeft het college de gestelde begunstigingstermijn verlengd.
Bij besluit van 21 januari 2009 heeft het college het besluit van 10 oktober 2007 gewijzigd in die zin dat is besloten met betrekking tot de verbouwing en het gebruik van het pand op het perceel alsnog niet handhavend op te treden.
Bij uitspraak van 25 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] tegen de besluiten van 2 juli 2008, 7 oktober 2008 en 9 december 2008 ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 21 januari 2009 ingestelde beroep ongegrond. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 april 2009.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak, tezamen met zaak nr. 200903384/1/R3, ter zitting behandeld op 8 januari 2010, waar [appellanten], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Tunnissen, advocaat te Arnhem, vergezeld door R.W. Mooij, wethouder, en mr. M. Wasser en T.J.P. Polman, ambteraren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is daar [belanghebbende], in persoon, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat zij procesbelang hebben bij een beoordeling van hun beroepen tegen de besluiten van 2 juli 2008, 7 oktober 2008 en 9 december 2008 tot verlenging van de gestelde begunstigingstermijn, nu zij door die besluiten schade hebben geleden. Ter zitting hebben zij desgevraagd de gestelde schade nader toegelicht.
2.1.1. Doordat het college bij het besluit van 21 januari 2009 alsnog heeft afgezien van handhavend optreden kunnen de beroepen tegen de besluiten van 2 juli 2008, 7 oktober 2008 en 9 december 2008 niet meer leiden tot het ermee beoogde doel. Niet aannemelijk is geworden dat de bedrijfsvoering van [appellanten] als gevolg van de periode van ruim zes maanden waarmee de begunstigingstermijn door middel van deze besluiten is verlengd is beperkt. Ook anderszins is onvoldoende aannemelijk geworden dat schade is geleden die rechtstreeks in verband is te brengen met de verlenging van de gestelde begunstigingstermijn. De rechtbank heeft de beroepen tegen deze besluiten daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Het betoog faalt.
2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij besluit van 21 januari 2009 ten onrechte alsnog heeft afgezien van handhavend optreden wegens concreet zicht op legalisatie, aangezien aanleiding bestaat voor de verwachting dat het bestemmingsplan "[locatie], [plaats]" geen rechtskracht zal verkrijgen, nu de afstand tussen het in geding zijnde pand en hun agrarisch bedrijf te gering moet worden geacht.
2.2.1. Vast staat dat op 16 oktober 2008 het ontwerp van het bestemmingsplan "[locatie], [plaats]" (hierna: het bestemmingsplan) ter inzage is gelegd. Dit ontwerp-bestemmingsplan voorziet in een woonbestemming op het perceel [locatie] ter legalisering van de illegale situatie op dat perceel. Voorts is niet in geschil dat het college van gedeputeerde staten in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening heeft meegedeeld in het bestemmingsplan geen aanleiding te zien advies uit te brengen en dat voorts de Provinciale Commissie Fysieke Leefomgeving en de VROM-Inspecteur in dat kader evenmin aanleiding hebben gezien opmerkingen over het bestemmingsplan te maken. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college zich ten tijde van het nemen van het besluit van 21 januari 2009 terecht op het standpunt heeft gesteld dat op dat moment concreet zicht bestond op legalisatie, zodat het college bij dat in redelijkheid alsnog kon weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot handhavend optreden. De rechtbank heeft daarbij de gestelde afstand tussen het in geding zijnde pand en het agrarisch bedrijf van [appellanten], die ter beoordeling staat in de bestemmingsplanprocedure, terecht niet aangemerkt als een feit of omstandigheid met zodanige evidentie dat op grond daarvan op voorhand moet worden aangenomen dat het in procedure zijnde bestemmingsplan geen rechtskracht zal kunnen verkrijgen.
Het betoog faalt.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Hanrath
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2010
392.