Uitspraak
200807914/1, dat de rechtbank heeft miskend dat het onderscheid tussen een zorgverzekerde wiens partner rechtmatig in Nederland verblijft en een zorgverzekerde wiens partner niet rechtmatig in Nederland verblijft, op redelijke en objectieve gronden berust en dat het aanpassen van het toegekende voorschot zorgtoeslag daarom geen discriminatie oplevert in de zin van artikel 26 IVBPR Pro. De belastingsdienst voert aan dat de zorgtoeslag toekomt aan het gezin en daarom niet kan worden aangemerkt als een individuele doeluitkering. Daarnaast berust het onderscheid tussen zorgverzekerden met een Nederlandse of rechtmatig in Nederland verblijvende partner en zorgverzekerden met een niet-Nederlandse partner zonder geldige verblijfsstatus, gelet op het doel van de Koppelingswet, op redelijke en objectieve gronden. Het koppelingsbeginsel strekt er immers toe uitkeringen ten laste van collectieve middelen te koppelen aan rechtmatig verblijf in Nederland, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.
200505679/1en van 22 juli 2009 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200807914/1">200807914/1</a>), is van discriminatie als bedoeld in artikel 26 van Pro het IVBPR geen sprake als er voor het maken van onderscheid in het licht van de doelen van de van toepassing zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan. Op 1 juli 1998 is de wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten (Stb. 1998, 203 en 204; hierna: de Koppelingswet) in werking getreden. De Koppelingswet koppelt het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen, aan rechtmatig verblijf in Nederland. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen door de ontvangst van uitkeringen en verstrekkingen in staat worden gesteld hun wederrechtelijk verblijf voort te zetten of een schijn van volkomen legaliteit te verwerven. In de Awir heeft het koppelingsbeginsel onder meer gestalte gekregen in artikel 9, tweede lid, waarin is bepaald dat geen aanspraak op een tegemoetkoming bestaat ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van Pro de Vw 2000.
200808882/1), vloeit uit artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Awir voort dat aan de verlening van een voorschot geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Een verleend voorschot kan worden herzien indien na de verlening blijkt dat de toeslag tot een hoger of lager bedrag is toegekend dan het bedrag waarop deze vermoedelijk zal worden vastgesteld. Dat is in dit geval niet anders.