Uitspraak
200902749/1) heeft overwogen, eist de Wth het invullen van het RiHG niet en is het RiHG slechts een hulpmiddel ten behoeve van de te maken afweging door de burgemeester bij de beantwoording van de vraag of aan de condities van artikel 2 van Pro de Wth wordt voldaan. In artikel 2 van Pro het Bth en de daarbij behorende bijlage is bepaald welke feiten en omstandigheden de burgemeester dient te betrekken bij een besluit om op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth een huisverbod op te leggen. De aan het besluit van 2 mei 2009 ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, zoals die naar voren komen uit dat besluit, het proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie van 2 mei 2009 en het verhandelde ter zitting bij de voorzieningenrechter, sluiten voldoende aan bij de in artikel 2 van Pro het Bth en de daarbij behorende bijlage genoemde feiten en omstandigheden. Deze feiten en omstandigheden zijn door [appellant] niet bestreden en zijn op zichzelf voldoende om een huisverbod op te leggen. De voorzieningenrechter heeft terecht geen grond aanwezig geacht voor het oordeel dat het besluit tot het opleggen van het huisverbod onzorgvuldig tot stand is gekomen of ondeugdelijk is gemotiveerd. Het betoog dat de besluiten van 2 en 11 mei 2009 moeten worden vernietigd, slaagt niet.