ECLI:NL:RVS:2010:BL7409
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.H.M. van Altena
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onvoldoende individuele indicaties voor verblijfsvergunning asiel Irak
De staatssecretaris van Justitie trok de verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling in. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de situatie in de provincie Nineveh een uitzonderlijke situatie is die bescherming op grond van artikel 15 van Pro de richtlijn 2004/83/EG rechtvaardigt. De veiligheidssituatie is weliswaar zorgelijk, maar niet zodanig dat burgers louter door hun aanwezigheid een reëel risico lopen op ernstige schade.
De vreemdeling stelde dat hij vanwege zijn werkzaamheden voor Amerikanen en zijn Yezidi-achtergrond een gegronde vrees heeft voor schending van artikel 3 EVRM Pro. Deze vrees was echter uitsluitend gebaseerd op een verklaring van een derde, het dorpshoofd, zonder verdere onderbouwing. De Raad van State bevestigt dat dit onvoldoende is om een verblijfsvergunning te rechtvaardigen.
Ook het beroep op het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak faalt, omdat de staatssecretaris het beleid op redelijke gronden heeft afgeschaft en dit voldoende heeft gemotiveerd.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van een gegronde vrees voor schending van artikel 3 EVRM.