ECLI:NL:RVS:2010:BL7400
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht en gevolgen voor legaal arbeid
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 6 september 2004. De vreemdeling stelde dat hij voorafgaand aan deze intrekking gedurende een jaar legale arbeid had verricht en dat de terugwerkende kracht geen invloed mocht hebben op het legale karakter van die arbeid.
De Raad van State overweegt dat de rechtmatigheid van de intrekking met terugwerkende kracht in rechte vaststaat, waardoor vanaf de datum van terugwerkende kracht de arbeid niet langer als legaal kan worden beschouwd volgens nationaal recht. De vreemdeling had de vraag of deze intrekking in overeenstemming is met het Unierecht in een eerdere procedure moeten aanvoeren.
De rechtbank had terecht geoordeeld dat de arbeid na de datum van terugwerkende kracht niet als legaal kan worden aangemerkt. Het betoog van de vreemdeling dat de intrekking discretionair is en geen invloed mag hebben op het legale karakter van de voorafgaande arbeid, wordt verworpen. Er is geen aanleiding voor prejudiciële vragen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht bevestigd.