Uitspraak
200204924/1), vindt stuiting van de verjaring plaats door iedere handeling waarbij aanspraak wordt gemaakt op betaling van het verbeurde bedrag, zoals een nota of aanmaning, waarna de termijn van zes maanden opnieuw gaat lopen. Hieruit volgt dat, voor zover voorafgaande aan de schorsing bij de aangevallen uitspraak van 4 december 2009 van het besluit van 20 februari 2009 dwangsommen zijn verbeurd, het college de verjaring daarvan hangende hoger beroep zelf kan stuiten. De voorzitter acht derhalve geen spoedeisend belang aanwezig dat schorsing van de aangevallen uitspraak rechtvaardigt. Daarbij merkt de voorzitter op dat, indien door de uitspraak van de Afdeling op de hoger beroepen van het college en [wederpartij] de bij het besluit van 20 februari 2009 opgelegde last alsdan of op enig moment na de uitspraak zou herleven, eventueel resterende bedragen in geval van overtreding alsnog worden verbeurd voor elke maand of een deel daarvan vanaf het tijdstip dat de last aldus zou herleven, tot het maximum van € 25.000,00 is bereikt. De voorzitter ziet dan ook aanleiding om het verzoek van het college in zoverre af te wijzen.