ECLI:NL:RVS:2010:BL3878
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen verblijfsvergunning bij onderbroken verblijf zonder bijzondere omstandigheden
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) gegrond had verklaard. De vreemdeling had na 1 april 2001 niet ononderbroken in Nederland verbleven, omdat hij van 4 oktober 2002 tot 23 juli 2003 in het Verenigd Koninkrijk verbleef en daar een asielaanvraag indiende.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris rekening had moeten houden met bijzondere omstandigheden, zoals het vertrek vanwege medische verzorging, en dat de vreemdeling had moeten worden gehoord. De staatssecretaris stelde dat de Regeling strikt is en dat alleen bij bijzondere individuele omstandigheden binnen de reikwijdte van de Regeling kan worden afgeweken van de eis van ononderbroken verblijf.
De Raad van State bevestigt dat de Regeling restrictief is en dat een verblijf langer dan twee weken buiten Nederland zonder bijzondere omstandigheden leidt tot uitsluiting van de verblijfsvergunning. De omstandigheid dat de vreemdeling Nederland verliet vanwege medische verzorging wordt niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt binnen de strekking van de Regeling. Ook is het horen van de vreemdeling niet vereist omdat zijn bezwaar geen redelijke twijfel opriep over het besluit.
De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard wegens het niet voldoen aan de voorwaarde van ononderbroken verblijf zonder bijzondere omstandigheden.