Uitspraak
200704159/1) ziet de afwijkingsbevoegdheid van dit artikel op bijzondere gevallen waarmee bij het vaststellen van de beleidsregels geen rekening is gehouden.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal weigerde op 5 april 2007 aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het vergroten van een woning op een perceel in Veenendaal. Het bouwplan voorzag in een aanbouw die in strijd was met het geldende bestemmingsplan en de gemeentelijke beleidsnotitie die bebouwingsmogelijkheden regelt.
Appellant stelde dat het beleid onredelijk was en dat er sprake was van ongelijke behandeling, mede gelet op eerdere vergunningen voor vergelijkbare aanbouwen. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat het college terecht vasthoudt aan het beleid dat aanbouwen minimaal drie meter achter de voorgevelrooilijn moeten liggen om ondergeschikt te blijven aan het hoofdgebouw. Er is geen sprake van een bijzonder geval dat een afwijking rechtvaardigt, noch van schending van het gelijkheidsbeginsel. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van vrijstelling en bouwvergunning wordt bevestigd.