ECLI:NL:RVS:2010:BL0288
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen verblijfsvergunning wegens onvoldoende risico in provincie Kirkuk
De staatssecretaris van Justitie wees op 15 oktober 2009 een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel af. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) had geoordeeld dat de algemene veiligheidssituatie in Irak, inclusief de provincie Kirkuk, niet zodanig ernstig is dat burgers louter vanwege hun aanwezigheid een reëel risico lopen op schending van artikel 3 EVRM Pro. Het rapport van de UNHCR en het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken werden betrokken in de beoordeling.
De Raad concludeerde dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd waarom de UNHCR-rapportage niet gevolgd kon worden en dat de veiligheidssituatie niet uitzonderlijk genoeg was om bescherming op grond van artikel 15 van Pro de richtlijn toe te kennen. De voorzieningenrechter had dit onvoldoende gemotiveerd bevonden, wat onjuist was.
Daarom werd het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.