Uitspraak
200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken.
200509111/1), is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever in de zin van de Wav om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van die wet worden nageleefd. Derhalve had [appellante sub 1] zich er in ieder geval van dienen te vergewissen dat de vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunningen in Nederland werkzaamheden mochten verrichten dan wel dat de benodigde tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven. Reeds omdat [appellante sub 1], naar van haar zijde tegenover de inspecteurs is verklaard, met [vennootschap] nimmer over tewerkstellingsvergunningen voor de Poolse uitzendkrachten heeft gesproken en ervan uitging dat, zo dergelijke vergunningen nodig waren, deze door [vennootschap] zouden worden geregeld, heeft [appellante sub 1] niet aan die vergewisplicht voldaan. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante sub 1] niet al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav te voorkomen en dat evenmin sprake is van een verminderde mate van verwijtbaarheid. Dat [appellante sub 1] afschriften van de identiteitsbewijzen van de vreemdelingen heeft gemaakt en in haar administratie heeft opgenomen en in het verleden haar goede wil heeft getoond toen zij zich bij het in dienst nemen van een asielzoeker grote moeite heeft getroost om aan alle benodigde formaliteiten te voldoen, leidt in het licht van het vorenstaande niet tot een ander oordeel. Dat [appellante sub 1] er niet van op de hoogte was dat voor de tewerkstelling van de vreemdelingen tewerkstellingsvergunningen waren vereist, dient, zoals de rechtbank evenzeer terecht heeft overwogen, voor rekening van [appellante sub 1] te blijven.
200705985/1) had het bevoegde orgaan, de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI), in het kader van deze aanvragen kunnen beoordelen of voor de tewerkstelling van de vreemdelingen prioriteitgenietend arbeidsaanbod aanwezig was en of de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden zich tegen de beoogde tewerkstelling verzetten. Nu deze beoordeling door de CWI niet heeft plaatsgevonden, is niet vastgesteld dat de doelstellingen van de Wav niet zijn geschonden. De enkele niet gestaafde stelling van [appellante sub 1] dat dit het geval is, is hiervoor onvoldoende.
200606955/1) kunnen ingevolge artikel 1,
200807994/1/V6.