Uitspraak
200602640/1, overwogen dat de minister voor beantwoording van de vraag of [wederpartij] in gezinsverband met [zoon] heeft samengeleefd, in beginsel mag uitgaan van de in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) opgenomen informatie, behoudens tegenbewijs. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat, hoewel vaststaat dat hij nooit op hetzelfde adres als [appellante] en [zoon] in de GBA ingeschreven heeft gestaan, [wederpartij] door middel van door hem overgelegde stukken en vier ter zitting afgelegde getuigenverklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat hij in ieder geval vanaf de geboorte van [zoon] tot diens eerste verjaardag met hem in gezinsverband heeft samengeleefd. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de geloofwaardigheid van deze getuigenverklaringen.