Uitspraak
200709155/1, overwogen dat voor de vraag of een bedrijfsgebouw als geurgevoelig object in de zin van de Wgv moet worden aangemerkt, naast de eis dat het gebouw permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor wonen of verblijf dient te worden gebruikt, allereerst van belang is of de gebouwen bestemd en geschikt zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Daarbij is overwogen dat uit de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3, blz. 16 e.v.) blijkt dat met de term "bestemd" wordt bedoeld, dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf en dat uit die wetsgeschiedenis verder blijkt dat het bij de beoordeling of een gebouw bestemd en geschikt is voor menselijk verblijf, niet van belang is hoeveel personen in het gebouw verblijven. Het verblijven van maar één persoon is voldoende. In eerdergenoemde uitspraak is voorts overwogen dat er in de Wgv dus voor is gekozen om, anders dan in de door de Afdeling gevormde jurisprudentie over geurgevoelige objecten bij toepassing van de brochure "Veehouderij en Hinderwet" en de richtlijn "Veehouderij en stankhinder" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de aard van het verblijf noch het aantal personen dat verblijft, een rol te laten spelen bij de vaststelling of een (bedrijfs)gebouw als geurgevoelig object moet worden aangemerkt.
200900801/1/R3, overwogen dat indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm wordt overschreden, dit niet met zich brengt dat ter plaatse geen sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Daargelaten de vraag of in dit geval ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de norm zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, van de Wgv van toepassing was, is de Afdeling gelet op het voorgaande van oordeel dat inzichtelijk had moeten worden gemaakt in hoeverre ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gerealiseerd. Voorts is onduidelijk of het plan, gelet op het in artikel 3, tweede lid, onder j, van de planvoorschriften opgenomen verbod en de uitleg die in 2.6.5. en 2.6.6. aan geurgevoelige objecten is gegeven, uitvoerbaar is.