ECLI:NL:RVS:2010:BK8968

Raad van State

Datum uitspraak
7 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200908369/1/H1 en 200908369/2/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.23 WroArt. 4.1.1 BroArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 6:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vernietiging bouwvergunningen voor woninguitbreiding in Anna Paulowna

Het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna verleende op 30 juni 2009 ontheffingen en bouwvergunningen aan twee vergunninghouders voor het vergroten van woningen op twee percelen. Verzoekers stelden beroep in tegen deze besluiten, waarop de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar het beroep gegrond verklaarde en de besluiten vernietigde.

Het college stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat het college terecht ontheffing kon verlenen op grond van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 4.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waarbij de gewijzigde regelgeving per 1 maart 2009 van belang was. De Raad stelde vast dat de bouwplannen niet buiten de bebouwde kom lagen, waardoor de bouwhoogte van meer dan 5 meter niet relevant was.

Verder beoordeelde de Raad de overige beroepsgronden, waaronder het belang van de omwonenden bij uitzicht en privacy en de mogelijke precedentwerking. De Raad vond dat het college binnen haar ruime beoordelingsvrijheid redelijk had gehandeld en dat er geen gegronde reden was om de ontheffingen te weigeren.

De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank Alkmaar en verklaarde het beroep tegen de besluiten van 30 juni 2009 ongegrond. De besluiten van 9 november 2009, die het college nam ter uitvoering van het eerdere vonnis, werden vernietigd omdat de grondslag daarvoor was komen te vervallen. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het beroep tegen de bouwvergunningen van 30 juni 2009 wordt ongegrond verklaard, terwijl de besluiten van 9 november 2009 worden vernietigd.

Uitspraak

200908369/1/H1 en 200908369/2/H1.
Datum uitspraak: 7 januari 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker] en anderen, wonend te [plaats], om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 oktober 2009 in zaken nrs. 09/1854 en 09/1855 in het geding tussen:
[verzoeker] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 30 juni 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna (hierna: het college) aan [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] ontheffingen en bouwvergunningen verleend voor het vergroten van de woningen op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te Anna Paulowna (hierna: de percelen).
Bij uitspraak van 1 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [verzoeker] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 30 juni 2009 vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 november 2009.
Bij besluiten van 9 november 2009 heeft het college opnieuw aan [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] ontheffingen en bouwvergunningen verleend voor het vergroten van de woningen op de percelen.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2009, hebben [verzoeker] en anderen daartegen beroep ingesteld en de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 december 2009, waar [verzoeker] en anderen, in persoon, het college, vertegenwoordigd door mr. R. Bergman en J.P.J. Bechler, ambtenaren in dienst van de gemeente, [vergunninghouder A], bijgestaan door mr. J.M. Smits, en [vergunninghouder B], in persoon, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van twee deels plat afgedekte, deels de dakhelling van de te onderscheiden woningen volgende, opbouwen op de garage. De opbouwen zullen worden gebruikt als slaapkamer en zijn vanuit de woningen op de percelen toegankelijk.
2.3. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Elshof 1993" (hierna: het bestemmingsplan). Het college heeft daarvan met toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in samenhang met artikel 4.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), ontheffing verleend.
2.4. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wro kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.
Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro, zoals dat gold ten tijde van het besluit van 30 juni 2009, komt voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de wet in aanmerking:
een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning, mits het aantal woningen gelijk blijft en voor zover buiten de bebouwde kom:
1e. het bouwwerk een bruto oppervlak heeft van ten hoogste 150 m²,
2e. het bouwwerk, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet hoger is dan 5 m, en
3e. het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt voor meer dan 50% wordt overschreden.
2.5. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het ontheffing van het bestemmingsplan kon verlenen. Daartoe voert het aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat artikel 4.1.1, aanhef en onder a, van het Bro met ingang van 1 maart 2009 is gewijzigd (Stb. 2009, 22), in die zin dat voor het verlenen van ontheffing op grond van die bepaling niet langer is vereist dat bouwwerken binnen de bebouwde kom niet hoger zijn dan 5 m.
2.5.1. Het betoog slaagt. De bouwplannen voorzien in de uitbreiding van de woningen en het aantal woningen blijft gelijk. Anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, kon het college met toepassing van artikel 3.23 van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro, zoals ten tijde hier van belang, ontheffingen verlenen voor de bouwplannen. Nu de percelen - naar niet in geschil is - niet buiten de bebouwde kom zijn gelegen, is, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, niet van belang of de bouwhoogte van de opbouwen meer bedraagt dan 5 m.
2.6. Gelet hierop zal de Afdeling alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgrond beoordelen, nu de voorzieningenrechter daaraan niet is toegekomen.
2.7. [verzoeker] en anderen betogen dat het college niet in redelijkheid ontheffing voor de bouwplannen heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zij aan dat de bouwplannen hun uitzicht en privacy in ernstige mate schaden. Voorts voeren zij daartoe aan dat het verlenen van ontheffingen voor de bouwplannen zal leiden tot een ongewenste precedentwerking.
2.7.1. De bouwhoogte van de garage met opbouw bedraagt circa 5,4 m. De afstand tussen de percelen en de achtergevels van de dichtstbijzijnde woningen aan de Noordkaap bedraagt circa 20 m. Gelet op de hoogte van de bouwplannen, de afstand van circa 20 m en de ter zitting getoonde foto's, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college vanwege de afname van privacy en uitzicht als gevolg van de bouwplannen niet in redelijkheid ontheffingen heeft kunnen verlenen. Daarbij is van belang, dat het college bij de bevoegdheid om al dan niet vrijstelling te verlenen over een ruime mate van beslissingsruimte beschikt en, met gebruikmaking van die beslissingruimte, een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] bij vergroting van hun woongenot.
2.7.2. Het college heeft in zijn reactienota, waarin is ingegaan op de door [verzoeker] en anderen ingediende zienswijzen, vermeld dat bouwvergunningen zijn verleend voor vergelijkbare bouwplannen in het plangebied. [verzoeker] en anderen hebben niet onderbouwd dat het verlenen van ontheffingen voor de onderhavige bouwplannen zal leiden tot precedentwerking die niet uitging van het verlenen van bouwvergunningen voor de vergelijkbare bouwplannen. Het college acht deze precedentwerking niet ongewenst, nu dergelijke uitbreidingen volgens hem in het stedenbouwkundig beeld passen.
2.8. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzitter het beroep tegen het besluit van het college van 30 juni 2009 alsnog ongegrond verklaren.
2.9. Bij besluiten van 9 november 2009 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op de door [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] gedane aanvragen. Deze besluiten worden, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de Afdeling slechts tot het oordeel komen dat aan die besluiten, die zijn genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, de grondslag is komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling die besluiten vernietigen.
2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 1 oktober 2009 in zaken nrs. 09/1854 en 09/1855;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen de besluiten van 30 juni 2009 ongegrond;
IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna van 9 november 2009, kenmerk GZ/V&B/JB/.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Huijben
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2010
499.