ECLI:NL:RVS:2009:BK8687
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende motivering besluit staatssecretaris over asielaanvraag vóór 1 april 2001
In deze zaak betwist de vreemdeling de stelling van de staatssecretaris dat hij vóór 1 april 2001 geen asielaanvraag heeft ingediend, omdat dit niet blijkt uit het papieren dossier en de beschikbare computersystemen. De vreemdeling overlegt stukken van de IND die aantonen dat de IND zelf uitging van het doorlopen van een asielprocedure. De staatssecretaris heeft in zijn besluit van 3 februari 2009 volstaan met de enkele stelling dat de aanvraag niet in het dossier voorkomt, zonder de juistheid van dit onderzoek te verifiëren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en dat de vreemdeling zijn stelling gemotiveerd heeft betwist. De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat het aan de vreemdeling was om aannemelijk te maken dat hij aan de voorwaarden voldeed, maar de Raad van State achtte dit onvoldoende omdat de aangeleverde stukken concrete aanknopingspunten bevatten die twijfel zaaiden over de juistheid van het dossieronderzoek.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond. Tevens veroordeelt de Raad de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en het betalen van griffierecht. De zaak benadrukt het belang van zorgvuldige motivering en onderzoek door bestuursorganen bij het nemen van besluiten over verblijfsvergunningen op basis van asielaanvragen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.