ECLI:NL:RVS:2009:BK7994
Raad van State
- Hoger beroep
- J.E.M. Polak
- C.H.M. van Altena
- J.C. Kranenburg
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing intrekking inritvergunning wegens wijziging gebruik pand
Het college van burgemeester en wethouders van Harlingen trok bij besluit van 10 december 2007 de inritvergunning voor een garage in Harlingen in, omdat het pand was verbouwd tot winkel en de inrit werd gebruikt om te parkeren. Het college baseerde de intrekking op artikel 1.6, aanhef en onder d, van de Algemene plaatselijke verordening (Apv).
De rechtbank Leeuwarden vernietigde het besluit op bezwaar wegens motiveringsgebrek en onduidelijkheid over de juridische grondslag. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college een onjuiste wettelijke grondslag had gebruikt, omdat artikel 1.6 onder d alleen ziet op intrekking bij niet-gebruik binnen een redelijke termijn, wat hier niet aan de orde was.
De Afdeling bevestigde de vernietiging van het besluit op bezwaar, maar overwoog dat het college op grond van artikel 1.6 onder b Apv bevoegd was de vergunning in te trekken vanwege de gewijzigde omstandigheden (verbouwing tot winkel). De Afdeling zag echter geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten vanwege onvoldoende onderbouwing van het gelijkheidsbeginsel door het college.
Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en kreeg de opdracht een nieuw besluit te nemen waarbij het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt betrokken. De aspecten van parkeernoodzaak en herstel garagefunctie behoeven geen nadere bespreking in dat besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt afgewezen en de vernietiging van het besluit op bezwaar bevestigd.