ECLI:NL:RVS:2009:BK7469

Raad van State

Datum uitspraak
23 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200903389/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • P. Lodder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WoningwetArt. 40 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vernietiging bouwvergunning opslagloods niet gegrond verklaard

Het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg verleende op 15 oktober 2007 een bouwvergunning voor een opslagloods met kantoorruimte. Tegen dit besluit maakte [wederpartij] bezwaar, dat het college ongegrond verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond en vernietigde het besluit van het college.

Het college stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De kern van het geschil betrof de vraag of de op het perceel aanwezige zeecontainers als bouwwerken moeten worden aangemerkt en of het toegestane maximale oppervlak aan bedrijfsbebouwing wordt overschreden. De rechtbank had geoordeeld dat nader onderzoek nodig was naar de hoeveelheid en duur van de containers op het perceel.

De Raad van State oordeelde dat de containers niet als bouwwerken kunnen worden aangemerkt omdat zij niet bedoeld zijn om ter plaatse te functioneren, maar slechts worden opgeslagen. De duur van aanwezigheid en de hoeveelheid containers zijn niet relevant voor deze kwalificatie. Hierdoor wordt het maximale oppervlak aan bedrijfsbebouwing niet overschreden en is het bouwplan niet in strijd met het bestemmingsplan.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep van het college gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van [wederpartij] ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit op bezwaar wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Uitspraak

200903389/1/H1.
Datum uitspraak: 23 december 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 maart 2009 in zaak nr. 08/760 in het geding tussen:
[wederpartij] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een opslagloods met kantoorruimte aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het college het door [wederpartij] en anderen (hierna in enkelvoud: [wederpartij]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 maart 2009, verzonden op 3 april 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 januari 2008 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 mei 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 juni 2009.
[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.
[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend.
[vergunninghoudster] heeft een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H. Wijten, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door ing. J.L. van Brecht, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door R. Pieterse en bijgestaan door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een loods met kantoorruimte ten behoeve van het op het perceel gevestigde opslagbedrijf. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 2001". Aan de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, is blijkens de bestemmingsplankaart de bestemming "bedrijven (B)" met als nadere aanduiding "opslagbedrijf (B(o)" gegeven. Op gronden met deze bestemming mag het oppervlakte aan bedrijfsbebouwing maximaal 210 m² zijn.
2.2. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 8 januari 2008 heeft vernietigd, omdat het college naar haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd dat de op het perceel aanwezige containers niet zijn aan te merken als bouwwerken en het maximum oppervlak aan bedrijfsbebouwing, bij realisering van het bouwplan, niet wordt overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank dient het college door middel van een nader te verrichten onderzoek inzichtelijk te maken wat de exacte hoeveelheid en duur van de aanwezigheid van de zeecontainers op het perceel zijn, zodat vastgesteld kan worden of de containers al dan niet als bouwwerken zijn aan te merken. Volgens het college is de rechtbank ten onrechte tot deze conclusie gekomen. Daartoe voert het college aan dat de containers niet bedoeld zijn om ter plaatse te functioneren maar slechts worden opgeslagen, zodat deze niet zijn aan te merken als bouwwerken. Volgens het college wordt het maximaal toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing dan ook niet overschreden.
2.2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, van de Woningwet, voor zover thans van belang, wordt onder bouwen verstaan: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).
2.2.2. Het begrip "bouwwerk" is in de Woningwet niet omschreven. Gelet hierop en gelet op het feit dat in de modelbouwverordening een bruikbare definitie is gegeven, is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr.
200704443/1), aansluiting gezocht bij de in de modelbouwverordening gegeven definitie van "bouwwerk". Deze definitie luidt: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, vloeit uit de definitie niet voort dat de zeecontainers reeds als een bouwwerk moeten worden aangemerkt, indien de opslag daarvan min of meer een permanent karakter heeft. Van belang is of sprake is van een constructie die bedoeld is om ter plaatse te functioneren. De duur van de aanwezigheid doet immers niet af aan de mogelijkheid dat de containers uitsluitend - al dan niet langdurig - worden opgeslagen op het perceel. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat het college door middel van een nader te verrichten onderzoek inzichtelijk dient te maken wat de exacte hoeveelheid en duur van de aanwezigheid van de containers op het perceel is. Evenmin is, anders dan [wederpartij] ter zitting heeft aangevoerd, van belang hoe hoog en in welke aantallen de containers zijn opgeslagen. Nu [wederpartij] voorts niet aannemelijk heeft gemaakt dat de containers ter plaatse functioneren en zij derhalve geen bouwwerken zijn, wordt de maximale oppervlakte voor bedrijfsbebouwing niet overschreden. Het bouwplan is derhalve niet in strijd met het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt.
2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 8 januari 2008 alsnog ongegrond verklaren.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 maart 2009 in zaak nr. 08/760;
III. verklaart het door [wederpartij] en anderen tegen het besluit van 8 januari 2008 bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Lodder
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2009
17-552.