ECLI:NL:RVS:2009:BK6145
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- B. van Wagtendonk
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belangenafweging bij ongewenstverklaring vreemdeling op grond van artikel 8 EVRM
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling op artikel 8 van Pro het EVRM gegrond verklaarde. De vreemdeling was ongewenst verklaard op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en had bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuwe belangenafweging moest maken.
De Raad van State overwoog dat volgens de Vreemdelingencirculaire 2000 en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een belangenafweging vereist is bij een ongewenstverklaring, ook als er geen inmenging in het gezinsleven is. Dit betekent dat de staatssecretaris de criteria uit het arrest Boultif moet toepassen en een evenredigheidstoets moet uitvoeren.
De Raad stelde vast dat de gezinsleden van de vreemdeling geen rechtmatig verblijf hadden en Nederland moesten verlaten, maar dat dit slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden betekent dat de ongewenstverklaring in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. De grief van de staatssecretaris faalde en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Hiermee werd de noodzaak van een zorgvuldige belangenafweging bij ongewenstverklaringen onderstreept, waarbij de bescherming van het gezinsleven en het algemeen belang van de staat tegen elkaar moeten worden afgewogen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.