Uitspraak
200708270/1en
200800532/1, komt in titel 8.1 van de Wet milieubeheer tot uitdrukking dat duidelijk dient te zijn voor welke activiteiten een milieuvergunning is verleend en wat de milieugevolgen zijn van deze activiteiten. Dit uitgangspunt komt mede tot uitdrukking in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder f en h, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Daarin is, voor zover hier van belang, bepaald dat de aanvrager in of bij de aanvraag om een vergunning de maximale capaciteit van de inrichting vermeldt onderscheidenlijk de aard en omvang van de belasting van het milieu die de inrichting tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken. De Afdeling stelt vast dat de maximale doorzet in de op 5 juli 1996 verleende milieuvergunning niet is gelimiteerd. Ook uit de aan de milieuvergunning ten grondslag liggende aanvraag kan geen beperking van de doorzet worden afgeleid. Dit betekent, wat het aspect externe veiligheid betreft, dat niet duidelijk is welke milieugevolgen de inrichting heeft. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het limiteren van de doorzet van LPG in het belang is van de bescherming van het milieu.
200800493/1heeft overwogen, gelet op de systematiek van deze regeling, uitputtend is voor de daarin geregelde aspecten, is het bestreden besluit, wat het daarbij aan de vergunning van 5 juli 1996 verbonden voorschrift 1.1.1 betreft in strijd met artikel 8.23, derde lid, in samenhang met artikel 8.11, vijfde lid, van de Wet milieubeheer.