ECLI:NL:RVS:2009:BK3314
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat familieleden in Nederland mantelzorg kunnen verlenen tijdens MVV-aanvraag in Indonesië
De vreemdeling had een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, die door de staatssecretaris van Justitie werd afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (MVV). De rechtbank had het bezwaar van de vreemdeling gegrond verklaard en de zaak terugverwezen voor een nieuw besluit. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep.
De kern van het geschil betrof de vraag of de familieleden van de vreemdeling die in Nederland wonen, in staat zijn om de benodigde mantelzorg te verlenen tijdens de relatief korte duur van de MVV-aanvraagprocedure in Indonesië. De rechtbank had geoordeeld dat de dienstbetrekking van de familieleden in Nederland een belemmering vormde voor het verlenen van mantelzorg, maar de Raad van State oordeelde dat dit onvoldoende aannemelijk was gemaakt.
De Raad van State stelde vast dat de familieleden elkaar kunnen afwisselen en dat het verblijf in Indonesië daardoor korter kan zijn. Ook is niet gebleken dat werkgevers verlof weigeren en dat sommige familieleden geen dienstbetrekking hebben. De hardheidsclausule uit artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 werd niet van toepassing geacht. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.