ECLI:NL:RVS:2009:BK2937

Raad van State

Datum uitspraak
11 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200808744/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing weigering bouwvergunning voor winkel met bovenwoning nabij horecagelegenheid

Het college van burgemeester en wethouders van Roermond weigerde vrijstelling en een bouwvergunning voor de verbouwing van een winkelpand tot een winkel met bovenwoning, omdat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan en de woning grenzend aan een horecagelegenheid uit ruimtelijk oogpunt ongewenst was.

De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep van wederpartij gegrond en vernietigde het besluit van het college. Het college stelde echter hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat het college een ruime beleidsvrijheid heeft bij het weigeren van medewerking aan een bouwplan en dat het college de weigering voldoende had gemotiveerd. De woning zou de dichtstbijzijnde woning aan de horecagelegenheid worden en daardoor bepalend zijn voor de geluidbelasting, wat de bedrijfsvoering van de horecagelegenheid kan belemmeren.

De Raad van State vond dat het college niet verplicht was om concrete metingen of berekeningen te overleggen voordat het besluit werd genomen en dat latere bouwkundige wijzigingen aan de woning bouwvergunningvrij kunnen plaatsvinden, wat de situatie onzeker maakt.

Daarom werd het hoger beroep van het college gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van wederpartij alsnog ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van wederpartij wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college wordt bevestigd.

Uitspraak

200808744/1/H1.
Datum uitspraak: 11 november 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Roermond,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 oktober 2008 in zaak nr. 08/72 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
het college van burgemeester en wethouders van Roermond.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) opnieuw besloten op het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 17 september 2002, waarbij geweigerd is hem vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de verbouwing van het winkelpand [locatie 1] te [plaats] tot winkel met bovenwoning, en dit bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 oktober 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 19 juni 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 december 2008.
rmkadfjj heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S. Amorij en M.H.J. Roelofs, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [wederpartij], in persoon en bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan voorziet in de verbouwing van een winkelpand tot een winkel met bovenwoning. Het bestaande winkelpand grenst aan de [horeca-inrichting] aan de [locatie 2] te [plaats].
2.2. In het geldende bestemmingsplan "Herten 1987" is het perceel bestemd tot "Woondoeleinden III", met de aanduiding "differentiatievlak diverse voorzieningen", waarbinnen maximaal twee woningen zijn toegestaan. Vaststaat dat het bouwplan wegens de voorziene bovenwoning in strijd is met het bestemmingsplan, omdat in het differentiatievlak reeds twee woningen aanwezig zijn.
2.3. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het in redelijkheid kon weigeren medewerking te verlenen aan het bouwplan omdat realisering van de woning, grenzend aan een horeca-inrichting, uit ruimtelijk oogpunt ongewenst is. Daarbij wijst het college erop dat het al dan niet verlenen van vrijstelling een discretionaire bevoegdheid is, zodat het een ruime mate van beleidsvrijheid heeft. De voorziene woning in het winkelpand zou na realisering de dichtst bij [horeca-inrichting] gelegen woning zijn en daarmee bepalend voor de geluidbelasting die [horeca-inrichting] mag veroorzaken. De woning kan derhalve van invloed zijn op de bedrijfsvoering van [horeca-inrichting]. Het college acht het onjuist dat de rechtbank heeft overwogen dat eerst indien door metingen dan wel berekeningen in beeld is gebracht in hoeverre [horeca-inrichting] belemmeringen ondervindt in zijn bedrijfsvoering, de betrokken belangen deugdelijk kunnen worden afgewogen. Het college stelt dat metingen en berekeningen niet zinvol zijn omdat de exploitatie van het horecabedrijf en daarmee de geluidbelasting van woningen in de omgeving daarvan op elk moment kan wijzigen. Volgens het college is de omstandigheid dat de woning wordt uitgevoerd met een zogenoemde dove gevel niet bepalend, omdat een toekomstige bouwaanvraag voor het aanbrengen een gevelopening niet zal kunnen worden geweigerd, terwijl het wel gevolgen met zich kan brengen voor het horecabedrijf. Het verbinden van een voorwaarde aan de vrijstelling of het sluiten van een civielrechtelijke overeenkomt in dit verband, acht het college anders dan de rechtbank heeft overwogen niet afdoende.
2.3.1. Het besluit al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter dat besluit terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren medewerking te verlenen aan vrijstelling.
2.3.2. Het college heeft de weigering medewerking te verlenen aan het bouwplan voldoende gemotiveerd door zich op het standpunt te stellen dat realisering van de woning dicht bij [horeca-inrichting] uit ruimtelijk oogpunt ongewenst is. Vast staat dat de woning dichter bij het horecabedrijf zou komen dan reeds bestaande woningen, waardoor het de voor de geluidbelasting van het bedrijf bepalende woning wordt. Daardoor zal deze woning in de huidige situatie of bij mogelijke uitbreiding van het horecabedrijf die een grotere geluidsemissie tot gevolg heeft, een nieuwe belemmering kunnen vormen. Omdat in hetgeen [wederpartij] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten zijn gelegen voor het oordeel dat niettemin op voorhand uitgesloten moet worden geacht dat de woning ter plaatse daadwerkelijk zal leiden tot belemmeringen in de bedrijfsvoering van [horeca-inrichting], heeft dit voor het college aanleiding mogen vormen om geen medewerking te verlenen aan de realisering van een woning in strijd met het bestemmingsplan. Niet valt niet in te zien waarom het college in dit geval alvorens te besluiten op het bezwaar diende te beschikken over concrete gegevens over de mate waarin het horecabedrijf wordt of zal worden beperkt. Het college heeft voorts mede betekenis kunnen toekennen aan de onzekere situatie die voor [horeca-inrichting] optreedt na realisering van de woning. Latere bouwkundige veranderingen aan de woning die van invloed zijn op het geluidniveau in de woning, bijvoorbeeld de plaatsing van een dakraam, kunnen immers bouwvergunningvrij worden gerealiseerd.
Gelet op het vorenoverwogene bestond voor het college geen aanleiding bij zijn besluitvorming te betrekken of en in hoeverre door het stellen van voorwaarden aan de vrijstelling dan wel het sluiten van een civielrechtelijke overeenkomst, wat daar overigens ook van zij, kan worden geregeld dat [horeca-inrichting] van de aanwezigheid van de woning geen belemmeringen in de bedrijfsvoering ondervindt. Het betoog slaagt.
2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] alsnog ongegrond verklaren.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 oktober 2008 in zaak nr. AWB 08/72;
III. verklaart het beroep van [wederpartij] ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens w.g. Van Heusden
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009
163.